Knod/tsenburg vierhonderd vierenveertig jaar
Nijmegen, de oudste stad van Nederland, heeft verschillende namen gekend. De Romeinen spraken van Nieuwe Markt (Noviomagus), in de vroege Middeleeuwen is sprake van Numaga en Mariken komt in de 15 eeuw uit Nieumeghen.
Haar bewoners zijn Nijmegenaar (m) of Nijmeegse (v) en zij noemen zichzelf Nimwegenuir of Nimweegse, afleidingen van het Pruisische Nimwegen.
Toen het Koninkrijk der Nederlanden nog niet bestond en zelfs de Republiek der Zeven Vereenigde Nederlanden utopie leek, was er op 'xxv Septembris 1566' onrust in de stad.
De Tachtigjarige oorlog (1568-1648) wierp zijn schaduwen vooruit, want 'in den Oest offte daer omtrint ister eyn secte opgestaen tegen deye geestelicheid'; ' toe Nymegen hadden sy den Goeszen predicant ingehaelt, maer doen die Knodtz quam op die straet, also dat hy weder moest wicken.' Dat gebeurde toen 'zoo mans als vrouwen met knodsen en ander geweer' de protestanten uit de stad verdreven hadden, zodat deze knodsendag 'bij de papisten geholden wordt voir eenen feestdag', volgens Van Schevichaven in de Geldersche Volksalmanak van 1901, door het aanbrengen van bloemenkransen aan de deuren van de stedelijke hotemetoten.
Tijdens de Opstand zijn de eerste Staatse schanswerken aan de Waal boven Nijmegen verschenen in 1585: een vierkanten aarden schans, die al na enkele weken door de Spanjolen werd ingenomen. Deze lieten de schans meteen slechten.
Bijna vijf jaar later, op 5 mei 1590, deed Maurits van Nassau een vergeefse aanval op Nijmegen. In de daarop volgende weken werd een nieuwe schans bij " 't Leyenhuys" te Lent opgeworpen met veelhoekige bastions.
'Prins Maurits, siende hoe nut en voorderlijck den Heeren Staten dese Schans soude wesen, bleef met zijn leger omtrent Nimmegen leggen, latende, met een groote couragie, sijn voorgenomen werck weêr by de handt nemen; daer mede voortvarende in 't gesicht en onder 't geschut van Nimmegen, die geweldigh daer op schoten, en van den [Spaansgezinde] Grave van Mansfelt tot sulcks gesterckt wirden: evenwel had het werck sulck een voortgang, niet tegenstaende alle bekommernissen en tegenweer, dat het noch in 't leste van de maendt Julii des selven jaers, tot redelijcke hooghte en sterckte geraeckt is.'
P. Bor: 'Het fort werde Knodsenburg genoemt ten regarde, omdat de borgeren van N., als zy murmeerden of oproerich waren, Knodsendragers genoemt' werden.
Op 13 januari 1968 lanceerden twee Bataven (Jan en Emile Selbach) tijdens de pronkzitting van de Nimweegse canavalsvereniging 't Swerte Schaop de naam Knotsenburg op tekst van Hein van Brienen (1920-1994).
Dit elfletterwoord (!) vond weerklank onder zotten en zottinnen van allerlei pluimage.
Mr Onno Luske werd zodoende in het seizoen 1968/1969 Zijne Dorstlustige Hoogheid Prins Onno I van Knotsenburg. (Toon Heijmans is er trots op de laatste Prins van Nijmegen te zijn!)
Er zijn later nog wel opstandelingen geweest - ook in de gelederen van 't Swerte Schaop - die wat al te letterlijk de loop van de geschiedenis wilden terugdraaien met Maarten Schenck ("-erij"), maar toen stond Hein van Brienen in "De Vereeniging" op de bres met zijn buttons 'Knotsenburg mot blieve'.
Ere wie ere toekomt!
Marcel M. Claassen